De zee-ui is een bolgewas die inheems is in het Middellandse Zeegebied. In de natuur groeit hij langs droge, rotsachtige kusten en hellingen in Zuid-Europa, Noord-Afrika en het Midden-Oosten. Ondanks zijn naam komt hij ook echter vaak in het binnenland voor. De plant staat bekend om zijn zeer grote bol, die voor een groot deel boven de grond uitsteekt.
De plant gaat bij droogte in de zomer in rust en produceert pas in de winter of het vroege voorjaar zijn lange, groene bladeren. Deze bladeren sterven vervolgens in de zomer weer af, waarna in het najaar een hoge, bladloze bloemstengel verschijnt. Het verschijnen van deze bloem is zo consistent dat het met name vroeger een teken was dat de herfst is aangebroken. Deze stengel kan 1 tot 1,5 meter hoog worden en draagt vele kleine, witte, stervormige bloemen. Deze bloemen worden zowel door insecten als door de wind bestoven, wat zeldzaam is bij planten. Na de bloei worden er zaden gevormd in kleine groene vruchten. Na het drogen gaan de vruchten open en worden de zaden door de wind verspreid.
Van oudsher wordt de zee-ui ook gebruikt als gif voor knaagdieren. Er worden momenteel zelfs pogingen gedaan om een zeer giftige cultivar te kweken voor commercieel gebruik als rattengif, vanwege de toenemende resistentie tegen het huidige rattengif.
Vanwege de aanpassing aan een droge zomer moet de plant in de zomermaanden droog worden gehouden en is het normaal dat deze zijn bladeren verliest. Een zonnige standplaats heeft de voorkeur, maar hij kan ook in de schaduw worden gegroeid. De bol is vorstgevoelig, dus bij ons kan de plant het beste in een pot worden gekweekt en tegen vorst worden beschermd.
Zaaibeschrijving: Zaai de zaden op het oppervlak van goed doorlatende zaaigrond en druk ze lichtjes aan zonder ze te bedekken. Houd de grond licht vochtig en plaats de zaden op een warme, lichte plek. De kieming vindt meestal plaats bij temperaturen rond 18-22 graden Celsius.