De Nikaupalm is de meest zuidelijk groeiende palm ter wereld met mooie geveerde bladeren en een oorsprong in Nieuw-Zeeland. Daar groeit deze palmsoort tot 15 meter hoog met een groene tot grijze stam en rechtopstaande, geveerde bladeren die tot 3 meter lang kunnen worden. De palm kan als deze volwassen is, soms pas na 40 jaar, grote, roze tot paarse bloemtrossen produceren die bij bestuiving groene tot rode bessen vormen die eetbaar zijn wanneer ze onrijp zijn. Wanneer ze na bijna een jaar rijp zijn, worden ze traditioneel gebruikt voor sieraden. Deze palmsoort is de enige van de Arecaceae familie die de ijstijden op het zuidereiland van Nieuw-Zeeland heeft overleefd. De Maori gebruiken de palmbladeren traditioneel voor het maken van manden, matten en dakbedekking. Ook worden de vezels gebruikt om mee te weven en de onrijpe bessen gegeten. De bessen worden in de natuur ook veel gegeten door kereru- en kakavogels. Tegenwoordig wordt de soort veel aangeplant voor zijn sierwaarde.
De palmsoort kan in gematigde klimaten gehouden worden als kuipplant. Wanneer de palm ouder wordt, kan deze ook buiten staan met vorstbescherming. Zorg voor een diepe pot met een goed doorlatende aarde om wortelrot te voorkomen. Jongere planten kunnen op een plaats met veel indirect zonlicht staan. Bij het verpotten is het belangrijk om de hoofdwortel niet te beschadigen. Oudere palmen kunnen meer direct zonlicht hebben. Het is een langzame groeier die pas vanaf een jaar of 10 voor het eerst een stam groeit. Daarbij kan de soort wel honderden jaren oud worden. Het is een dankbare palmsoort.
Zaaibeschrijving: Bij ontvangst van de gekiemde zaden kunnen deze direct gezaaid worden in een diepe pot met zaai- en stekgrond. Houd de bodem constant licht vochtig, maar voorkom dat de aarde te nat wordt. Zet op een plaats met veel indirect licht. Een warme plaats rond de 20-25 gr Celsius is ideaal voor de eerste ontwikkeling.
Foto 1: Michal Klajban Wikimedia Commons
Foto 2: Charles J. Sharp Wikimedia Commons
Foto 3 & 4: H.Wendl. & Drude GBIF