In deze kweekgids vindt u praktische informatie over het kiezen en zaaien van zaden en de verdere verzorging van uw planten. Lees meer over voorbehandeling, grond, kiemcondities, water en licht, bloei en vruchtzetting en veelvoorkomende plagen.
Kies hieronder een onderwerp om verder te lezen.
Ons assortiment bestaat uit meer dan 600 soorten en er zijn verschillende categorieën en filters om u te helpen met uw keuze. Als u het nog lastig vindt om soorten uit te kiezen, vindt u hier extra informatie om dat makkelijker te maken.
U kunt uw keuze maken op basis van waar u de planten wilt laten groeien. De herkomst van een soort bepaalt of een plant geschikt is voor in de tuin, huiskamer of in een kuip op terras of balkon.
Planten die geschikt zijn voor de volle grond in Nederland moeten tegen een stootje kunnen, waarbij met name het doorstaan van de vorst in de winter van belang is. Geschikte tuinsoorten zijn meestal afkomstig uit gematigde gebieden (of kouder), zoals in delen van Noord-Azië, Noord-Amerika en het zuiden van Zuid-Amerika en Australië/Nieuw-Zeeland. Deze regio's kennen, net als in Europa, relatief koude winters, waardoor veel soorten geschikt zijn voor in de tuin.
Buiten die gebieden zijn er ook soorten in de subtropen die (mede door de klimaatverandering) onze winters kunnen overleven. Bijvoorbeeld soorten uit het Middellandse Zeegebied, zoals de aardbeiboom (Arbutus unedo), of uit het zuiden van China, zoals de theeplant (Camellia sinensis).
Veel tuinsoorten komen ook uit koelere berggebieden in de subtropen en tropen. De Himalaya, de Chinese provincie Yunnan en de Andes herbergen veel soorten die goed tegen lagere temperaturen kunnen en daardoor ook succesvol in Nederlandse tuinen kunnen worden gekweekt. Een voorbeeld is de Himalaya cobralelie (Arisaema consanguineum), die van nature voorkomt in bergachtige gebieden van Azië.
Wij hebben een selectie gemaakt van soorten die uit bovenstaande gebieden komen en daarmee geschikt zijn voor de tuin. U vindt al deze soorten in de tuinplanten-categorie en per soort staat de herkomst en minimumtemperatuur aangegeven.
Een aparte categorie binnen de tuinplanten zijn de eenjarige soorten. Deze planten voltooien hun volledige levenscyclus van zaad tot zaad binnen één groeiseizoen. Hierbij zijn grofweg drie groepen te onderscheiden.
De eerste groep bestaat uit soorten uit gematigde klimaten. Deze planten sterven af door de lage wintertemperaturen, maar zaaien zichzelf na de bloei vaak al uit. De zaden zijn aangepast om de winter te overleven en in het voorjaar te kiemen. Dit is ook de reden dat wij spreken over tuinplanten en niet over winterharde planten.
De tweede groep bestaat uit soorten uit warmere en drogere gebieden. In hun natuurlijke leefomgeving sterven zij aan het einde van het groeiseizoen af door een droge periode. Ook in Nederland zullen zij aan het einde van de zomer zaden produceren en afsterven. De zaden zijn echter minder goed aangepast aan onze koude en natte winters, waardoor het vaak beter is om ze te oogsten en in het voorjaar opnieuw te zaaien.
De derde groep bestaat uit tropische planten die van nature meerjarig zijn, maar snel genoeg groeien om binnen één zomer te bloeien en zaad te vormen. Hierdoor kunnen wij er ook in één groeiseizoen van genieten. Hoewel de planten de winter niet overleven, kunnen de zaden meestal eenvoudig worden geoogst en droog worden bewaard om in het voorjaar opnieuw te worden gezaaid.
Kuipplanten zijn voornamelijk afkomstig uit subtropische gebieden en bergachtige gebieden in de tropen. Denk hierbij aan het Middellandse Zeegebied en delen van Australië en Nieuw-Zeeland, Zuid-Afrika, Zuid-Amerika en Oost-Azië. Deze planten kunnen gedurende de zomermaanden uitstekend buiten worden gehouden, maar zijn niet voldoende winterhard om het hele jaar buiten te blijven. In de winter worden zij bij voorkeur op een koele, vorstvrije plaats overwinterd.
Veel kuipplanten zijn aangepast aan warme dagen, koelere nachten en een relatief koele winterperiode. Hiermee onderscheiden ze zich van veel tropische soorten, die minder goed tegen koele nachten kunnen. Kamerplanten zijn daarom vaak minder geschikt om gedurende de zomer buiten te staan, terwijl kuipplanten daar juist wel geschikt voor zijn.
Het buiten zetten van de planten in de zomer heeft verschillende voordelen. Doordat ze veel meer licht krijgen, groeien kuipplanten vaak beter en compacter dan binnenshuis. Ook worden bloei en vruchtzetting bij veel soorten beïnvloed door schommelingen tussen dag- en nachttemperaturen, veranderingen in de daglengte en een koelere rustperiode in de winter. Deze omstandigheden zijn binnenshuis moeilijk na te bootsen.
Bekende kuipplanten zijn bijvoorbeeld de paradijsvogelbloem (Strelitzia reginae) uit Zuid-Afrika en de oleander (Nerium oleander) uit het Middellandse Zeegebied.
U vindt alle soorten in de kuipplanten-categorie en daarbij kunt u nog specifiek letten op de minimumtemperatuur. Veel soorten kunnen enkele graden vorst verdragen, maar er zijn ook soorten die vorstvrij gehouden moeten worden.
De meeste kamerplanten komen uit tropische gebieden rond de evenaar in Midden- en Zuid-Amerika, West-Afrika en Zuidoost-Azië. Daar komen ze van nature voor in tropische regenwouden, waar de temperatuur het hele jaar door weinig schommelt. Niet alleen tussen de seizoenen, maar ook tussen dag en nacht zijn de verschillen vaak klein. Hierdoor zijn deze planten goed aangepast aan de constante omstandigheden die een Nederlandse woonkamer biedt.
Veel kamerplanten groeien in de natuur onder het bladerdak van grotere bomen. Hierdoor zijn zij gewend aan gefilterd licht en kunnen zij ook binnenshuis op relatief donkere plaatsen goed groeien. Vergeet echter niet dat ook schaduwplanten voldoende licht nodig hebben. Een plant die in de schaduw kan staan, hoort niet thuis in een donkere hal, maar doet het beter voor een raam op het noorden of iets verder van een raam op het zuiden.
In tegenstelling tot veel kuipplanten zijn tropische soorten meestal minder afhankelijk van schommelingen in temperatuur en daglengte. Hierdoor kunnen veel soorten onder gunstige omstandigheden ook binnenshuis bloeien. Voldoende licht blijft hierbij echter een belangrijke voorwaarde.
Onze grote collectie tropische bomen vormt echter een ander verhaal. Hoewel er soorten zijn die van nature in de ondergroei van het bos groeien, zoals cacao (Theobroma cacao), hebben veel tropische bomen juist veel licht nodig. Jonge zaailingen verdragen vaak nog geen felle zon. Net als in de natuur groeien zij in hun eerste levensfase vaak beschut onder andere planten, totdat zij een sterker wortelstelsel en meer bladeren hebben ontwikkeld. Hierdoor zijn zij beter in staat om het extra waterverlies en de hogere temperaturen die gepaard gaan met direct zonlicht op te vangen. Zodra de zaailingen goed zijn aangeslagen, kunnen zij geleidelijk aan meer zonlicht worden gewend en uiteindelijk uitgroeien tot mooie bomen.
De minimumtemperatuur van tropische soorten ligt meestal tussen de 10 en 15 graden Celsius en dit staat per soort aangegeven.
Succulenten en cactussen vormen eigenlijk een tussengroep tussen kamerplanten en kuipplanten. Hoewel de herkomst van veel soorten meer doet denken aan kuipplanten, met warme dagen, koelere nachten en een relatief koele winterperiode, worden zij in Nederland meestal als kamerplant gehouden.
De reden hiervoor is dat het Nederlandse klimaat niet altijd goed aansluit bij de omstandigheden waaraan veel soorten zijn aangepast. Vooral de combinatie van relatief natte zomers, weinig zonuren en natte winters maakt het lastig om veel cactussen en succulenten het hele jaar buiten te houden. Hierdoor worden zij vaak binnenshuis of in een kas gekweekt.
Het nadeel hiervan is dat de natuurlijke omstandigheden die de bloei stimuleren, zoals veel licht, schommelingen tussen dag- en nachttemperaturen en een koele, droge rustperiode in de winter, binnenshuis moeilijk na te bootsen zijn. Hierdoor blijven veel soorten vegetatief en komen zij minder gemakkelijk tot bloei.
Ons advies is daarom om goed te kijken naar de natuurlijke herkomst van een soort en deze omstandigheden zo veel mogelijk na te bootsen. Hoewel de meeste woestijnen met elkaar gemeen hebben dat ze droog zijn, kunnen de klimaten sterk verschillen. Succulenten uit Noord-Amerikaanse woestijnen zijn bijvoorbeeld gewend zijn aan koude winters, terwijl soorten uit de droge stekelbossen van Zuid-Madagaskar een veel gelijkmatiger en warmer klimaat gewend zijn. Hierdoor verschillen ook de omstandigheden waaronder soorten als de Madagaskar-ocotillo (Alluaudia procera) en de palmlelie (Yucca rostrata) goed groeien en uiteindelijk tot bloei kunnen komen.
De moeilijkheidsgraad heeft betrekking op de ontkieming van de zaden en heeft niet te maken met de verzorging van de plant. Wij hanteren 3 niveaus en hier kunt u lezen wat wij daarmee bedoelen.
Dit zijn soorten voor de echte beginner. Met een afgedekt potje en wat zaai- en stekgrond, komt u vaak al een heel eind. De kieming verloopt meestal snel en een voorbehandeling is niet nodig, waardoor de kans op mislukking klein blijft. Het zaaien van deze soorten is vergelijkbaar met het zaaien van de gemiddelde groentezaden uit het tuincentrum.
Bij deze soorten zijn meer handelingen nodig om tot een goed resultaat te komen. Zo kan een voorbehandeling nodig zijn, zoals het aanschuren van de zaden, de kiemrust doorbreken of de kieming kan simpelweg langer duren. Als u de zaai-instructie volgt die bij iedere soort staat aangegeven, heeft u bij deze soorten een grote kans op succes. Verderop in deze handleiding geven wij meer tips voor een succesvolle kieming.
Deze soorten zijn bedoeld voor liefhebbers die van een uitdaging houden. De moeilijkheid kan verschillende oorzaken hebben. Zo is kamertemperatuur vaak niet meer hoog genoeg, moet er soms relatief steriel gewerkt worden (zoals bij boomvarens), kan de kieming maanden op zich laten wachten of zijn één of meerdere voorbehandelingen nodig. Ook kan het om een soort gaan die van nature lastig kiemt. Geduld en ervaring zijn voor deze categorie geen overbodige luxe!
Een deel van ons tropische assortiment wordt aangeboden als gekiemd en dat betekent dat de zaden al zijn gestart met de vorming van een stengel en/of wortels. Het gaat dan vaak om recalcitrante zaden die hun kiemkracht verliezen als ze uitdrogen, zoals bijvoorbeeld de bekende Jackfruit (Artocarpus heterophyllus). Deze zaden bewaren wij in vochtige, warme condities en zullen wij ook in vochtig Sphagnum-mos of tissuepapier toesturen. Door deze soorten gekiemd aan te bieden, kunnen wij de kwaliteit garanderen en weet u als klant zeker dat de soms kostbare zaden zullen ontwikkelen. Ze kunnen direct na ontvangst worden geplant in de juiste grondsoort. Als u een klein kiemplantje krijgt, is het belangrijk deze goed af te dekken met folie of in een kasje te zetten. De planten zijn namelijk een hoge luchtvochtigheid gewend en als dit abrupt verandert, zullen ze snel uitdrogen. U kunt ze stap voor stap laten wennen aan de nieuwe omstandigheden.
De moeilijkheidscategorie is voor deze soorten meestal ‘gemiddeld’, waarbij vooral de temperatuur en grondsoort belangrijk zijn voor een succesvolle groei.